Afwisseling, een voordeel
‘Hét grote voordeel van een job als journalist is de afwisseling in mijn agenda. Mijn werkrooster moet voortdurend worden aangepast aan het nieuws en mijn werkweek wordt steevast door elkaar geschud. Voor veel mensen is dat een verschrikking. Zij houden van regelmaat en planning. Maar ik hou van deadlines en de nieuwsrace. Nieuws is er elke dag, ook tijdens het weekend en 's nachts. Als journalist mag je ook niet op een uur meer of minder kijken want anders mis je soms de ontknoping van een nieuwsfeit. Ik heb er geen probleem mee om op feestdagen en weekends te werken. Journalistiek is immers een passie.Ik zorg er wel voor dat ik wekelijks een paar keer kan sporten en maak ook altijd tijd vrij voor een boek of een film.De enige ambitie die ik nog heb is om elk jaar een betere journalist te worden. Ik heb geen zin om eind- of hoofdredacteur te worden. Journalist zijn is de meest interessante baan die er bestaat en ik ben nog lang niet van plan om dat op te geven. Ik zie mezelf ook niet uit de media stappen. Ik voel me al beklemd als ik een dag lang op de redactie zit. Ik moét buiten kunnen. De sfeer opsnuiven. Getuige zijn van het nieuws. Dan pas is mijn dag geslaagd.’
Een gelukkige tijd
'Mijn schooltijd was een gelukkige tijd. Ik was een leerling die graag naar school ging en gretig leerde. Ik was zeker geen primus en heb hier en daar harde lessen geleerd, maar toch was ik een enthousiaste scholier en mijn herinneringen aan de studiejaren zijn dan ook heel kleurrijk. De Panne is vanzelfsprekend een kleine gemeenschap aan het einde van de wereld. Toch had ik als kind nooit het gevoel dat ik iets miste. De school zorgde ervoor dat we een heel open blik hadden op de realiteit. Ik weet nog dat we toen, in de jaren '70, ook al ons steentje bijdroegen voor de derde wereld en dat we praatten over de koude oorlog. In het vijfde studiejaar werd openlijk gediscussieerd over homoseksualiteit en anticonceptie. Het gebrek aan taboes heeft me zeker gevormd. Ook het KA van Veurne vond ik een heel open school. Alles was er bespreekbaar en er was veel inspraak in lessen en aanpak. Er bestond ook altijd een gezonde concurrentie met het plaatselijke college. De leerlingen van het atheneum voelden zich enigszins verplicht om het minstens 'beter' te doen want het college pretendeerde, uit traditie, altijd de beste te zijn. Voor mij was vooral het laatste, zesde jaar een openbaring. Ik stond op de drempel van de volwassenheid en hielp de laatstejaarsfuiven, de jaarlijkse toneelopvoering en de honderddagen organiseren. Het was een geweldige ervaring waaraan ik met veel heimwee terugdenk. We waren een hechte bende die de wereld wilde tonen wat we in onze mars hadden!’
Spirit
‘Ik ben een grote voorstander van het GO! gebleven. Dat is me met de paplepel ingegeven. Mijn ouders waren immers beiden gedreven leraars in het GO!. Toch zal ik nooit beweren dat het vrije onderwijs benepen en bekrompen is. Elke school in elk net is verschillend. Er zijn uitstekende scholen over heel Vlaanderen, ongeacht de kleur. Maar van de gemeenschapscholen gaat toch een zekere spirit en vrijheid uit die ik voor mezelf heel belangrijk vind. Er wordt geen onderscheid gemaakt tussen leerlingen en iedereen krijgt dezelfde kansen. Dat is van levensbelang voor een geslaagde start!’