Schrijven, lezen en leren
‘Vroeger schreef ik vooral gedichtjes. Ik werkte soms dagen aan eentje. Maar sinds een jaar of twee ben ik proza beginnen schrijven, om iets inhoudelijkers te brengen. Als ik nu nog gedichten schrijf, is het meestal om als geschenkje te geven aan mijn vriendje of ouders. Het meeste van mijn werk heeft nog nooit iemand gelezen. Het is ook allemaal nog niet af.’
‘Ik lees ook heel veel. Qua poëtische werken, ben ik verzot op Herman Gorter, Karel van de Woestijne en Hans Andreus. Wat proza betreft, las ik al werken van Hesse, Verhulst, Paul Boon, Bernlef, Campert, Imre Kertész enzovoort. Door ‘Siddartha’ van Hermann Hesse ben ik werkelijk verliefd geworden op de literatuur, een maand zonder boek zou een hel zijn voor me, alsook een week zonder pen en papier.’
‘Het liefst van al zou ik binnen zeven of acht jaar in een zuiders huisje in de Provence of in Toscane aan een oud bureautje zitten met pen en papier of een oud typmachine. Maar waarvan zal ik, voor ik een degelijk werk publiceren zal, dan leven? Daarom ga ik volgend jaar verder studeren aan de Universiteit Gent. Ik twijfel nog tussen Filosofie en Kunstwetenschappen. Ik wil zoveel mogelijk kennis opdoen over de geschiedenis van de wereldliteratuur en alle auteurs die mij vooraf gingen. Misschien dat ik me dan ga specialiseren in het theater om zelf theaterstukken te kunnen schrijven.’
Intieme school
‘Onze school is niet zo groot, wat alleen maar voordelen met zich meebrengt. Iedereen kent iedereen, de leerkrachten zijn spontaan en joviaal en de directeur staat dicht bij de leerlingen. Ik ga er graag naar school. We amuseren er ons allemaal en tegelijkertijd werken we hard voor onze vakken. Net daardoor groeit er een goede band tussen de leerlingen en leerkracht. Onlangs zijn we samen met het vijfde jaar naar Praag en Wenen geweest. Een culturele doorreis die enorm leuk was. Iedereen maakte er plezier met elkaar, als één grote familie. Het is echt aangenaam zo’n gevoel van harmonie te ervaren op school. Iedereen wordt bij ons gewaardeerd, nog nooit heb ik van pesten geweten op onze school.’
‘Het GO! zit in mijn bloed. Mijn grootvader was directeur van een school van het gemeenschapsonderwijs, mijn overgrootvader stichtte het atheneum waar ik nu zit, nichten en neven geven er les, enzovoort. Ik kan dan ook geen woord verkeerd over het GO! zeggen. Niet omdat het een familietraditie is, maar omdat ik er werkelijk heel mijn leven naar school ben geweest en er nooit iets slechts of negatiefs heb ervaren.
Op dat vlak ben ik echt prikkelbaar. Bijvoorbeeld als een vriend, die naar een andere school gaat, twijfelt aan de kwaliteit van ons onderwijs of praat over de ‘staatsschool’. Mij zul je nooit een woord verkeerd horen zeggen over andere scholen, ik weet immers niet hoe het er daar aan toegaat. Daarom moet ook niemand commentaar geven op mijn school als zij er zelf niets vanaf weten. Als ik in het kort mijn school zou moeten beschrijven, dan zou het als volgt zijn: waar ik groeide, openbloeide en nu vertrek puur als mezelf.’